Finalisten Blog
Dank!
door
de zilveren griffelVan: Femke Ponsioen
Verzonden: zaterdag 11 oktober 2008 6:26:43
Aan: Vrienden en Familie
Lieve familie, vrienden en vrienden van vrienden,
Gisteren werd om 21.00, in een feestelijke kerk, door Jan Blokker bekend gemaakt dat ik als tweede ben geëindigd in de schrijfwedstrijd van uitgeverij Contact. Ik had ruim 30% van de stemmen. Raf Goossens heeft het contract in de wacht gesleept met 50% van de stemmen. Ondanks de zilveren plak, heb ik heerlijk gefeest onder het genot van bloemen en champagne. Waar ik blij mee ben is dat ik die avond van verschillende medewerkers van de uitgeverij vernam dat ze geïnteresseerd zijn in mijn schrijven en het contact warm willen houden. Ook vertelde Renate Dorrestein mij dat ik in de pen moet blijven klimmen.
Rest mij nog om een roman te schrijven. Nu ben ik vanaf oktober (nog) minder gaan werken. Tijd dus om dromen om te zetten in inktverse daden. Ik ga ervoor en start volgende week.
Graag wil ik jullie allemaal hartelijk bedanken voor jullie betrokkenheid, commentaar en enthousiasme. Bij deze draag ik mijn debuut aan ieder van jullie op. Dank, dank, dank voor een paar tintelende maanden!
Lieve groet, Femke
__________________________________________________
dank voor een paar tintelende maanden
Van: Femke Ponsioen
Verzonden: woensdag 15 oktober 2008 16:30:12
Aan: Josje Kraamer
Beste Josje, Erna, Midas en Renate,
Dank voor jullie scherpzinnige blik, jullie verhelderende suggesties en aanmoedigende veren. Ik ben trots op ‘de zilveren griffel’ en heb een ware duw gekregen richting toetsenbord. Mijn pc is opgepoetst. Er ligt een grootverpakking cartridges in mijn bureau. Ik heb mijn werkdagen teruggebracht tot een minimum. En er vindt een celdeling plaats in mijn hoofd. Ik ga ervoor!
Tot een volgend Contact.
Hartelijke groeten, Femke Ponsioen
(Josje, ik heb alleen jouw emailadres, dus zou je dit mailtje willen doorsturen?
Merci!)
___________________________________________________________________________________________________________________
hoe is het nu?
Van: Femke Ponsioen
Verzonden: vrijdag 17 oktober 2008 16:54:09
Aan: Raf Goossens
Há die Raf!
Zijn de pinten inmiddels uit het bruisend bloed gefilterd? Ben je al afgedaald uit de gaten in de lucht? Zit je nu pennen te kluiven, sneeuwblind van het hagelwit papier?
Of sta je eenzaam te bibberend op het Atomium, klaar voor de beloofde duik?
Hoe dan ook, het was leuk je eindelijk live te kunnen ontmoeten in de Duif. Mocht ik je niet voor die tijd kelen of vierendelen vanuit bittere jaloezie, schrijf dan een fantastisch boek. Je hebt een mooie stijl die me aan een Belgische stoemp doet denken: vol van smaak, zonder opsmuk!
Groetjes, Femke
Aan ...
door
Aan alle lieve mensen ...en ook aan de anderen.
Een welgemeende erkentelijkheid ten uwen aanzien,
op mijn beide blote knieën.
Ge zijt allemaal wreed bedankt.
Ik spring een holletje in de lucht,
en heb het besef met mijn gat in de boter te zijn gevallen.
Het ziet er niet uit, maar het voelt zalig.
groetjes,
raf
aan mijn lief, mijn moeder en ALLE vrouwen
door
Dit stukje is geschreven in mijn eigenste dialect…… vóór dat ‘de week van het dialect’ in Antwerpen ter sprake kwam,
… vóór dat Dimitri Verhulst zijn column deze week in de krant De Morgen schreef.
Oan alle vraan.
’t Is genen zever in pakskes.
‘k Ben genen broebeleir,
ne blageur
of nen annewuiten mi een scheei
mur een babbelasse gelijk gij
mi een vree schap,
in oanen commieniezon,
zuk geiren tegen minne gilet trekken.
Mi oa wil ik biezabeizen,
trottinetten
of murezeikers ambeteren,
piepkenduiken
of on één pilleke kaat lekken.
Gij gif mi kiekenboelen, gij!
zachte zoenen,
raf
ps: Het lijkt me beter om toch niet van het Atomium te springen. Ge moet mij dan niet van het asfalt, fijn belegd met kauwgom, sigarettenpeuken en droog speeksel, schrapen.
En nu?
door
Mijn biologische klok vergist zich tussen AM en PM. Terwijl een waterig middagzonnetje door de wolken breekt voel ik de nacht sluimeren achter dikke ogen. Vannacht stond ik met ogen als schotels om 02.00 u. onder de douche om vervolgens de was op te hangen. Vanmorgen om 06.00 u. luidde een wekker de eerste werkdag in. Het is weer laveren door een drukke stationshal, koffie gieten in een verkreukeld gezicht, kijken hoe de druppels langs het treinraam glijden. Met het zien van de eerste pepernoten in de schappen is de vakantie echt voorbij.
Er waren hoogtepunten:
- eindeloze wegen die de horizon voor zich uit leken te duwen
- majestueuze rotsformaties, riffen, plateaus, canyons
- blueberrypancakes met maple syrup
- samen met mijn lief ‘Islands in the stream’ zingen (zij als baardloze Kenny, ik als Dolly met borstverkleining)
- condors zien, een coyote, kolibries
- het eindpunt bereiken van de Grand Canyon Bright Angel Trail
- zeilen, barbecueën, Margarita’s drinken met vrienden en mijn zus
Er waren dieptepunten:
- dinercoffee
- een rantsoen van hamburgers, deep fried chicken, hotdogs, bacon, steakes
- een 20 dagen durende boycot van ‘The best of Dolly Parton’ door mijn vriendin
- een Kafkajaanse gedaanteverwisseling van Weightwatcher tot Quarterpounder
- hoge voedselprijzen, trailerparken, armoede
- consumeren, consumeren, consumeren, schulden, Wall Street Crises
- Sarah Palin
- In een gokpaleis luisteren naar een karaokevertolking van Fats Domino
En nu ben ik thuis, met 10 oktober in zicht. ‘Je moet stemmen winnen,’ sist mijn moeder, ‘want dat meisje, Meike, heeft een hoge functie, dat heb ik gezien op de tv. Die kent veel mensen, neem dat maar van mij aan!’
Raf wil naakt van het Atomium springen. Een blote schoolmeester die van zo’n reusachtige glanzende bol afduikt - nu zou het Atomium op instorten staan, voor hetzelfde geld rol je vroegtijdig in zo’n kogel door de dichtstbijzijnde kerk - maar toch, het heeft wel iets.
Wat heb ik in godsnaam in de melk te brokkelen?
Moet ik een TBS-er charteren als runningmate? Moet ik gratis op zaterdag in de Kalverstraat ruggenkrabben? Moet ik mijn verhaal laten afdrukken op de bijsluiter van een antipsychoticum?
Of kan ik beter iets doen dat niets met mijn verhaal te maken heeft. Iets Guinness Book of Records achtigs, zoals al mondschilderend een nieuwe Panorama Mesdag creëren? Wat te denken van mijn verzameling Douwe Egbertspunten? Zou ik deze kunnen inzetten als stemmenlokker? Ik mijmer, ik pieker, ik krab achter mijn oren tot ze er rood van zien. Intussen komt 10 oktober gestaag dichterbij…
Méér
door
Zou ik méér stemmen krijgen mocht ik in mijn blootje van het Atomium springen?De eerste schooldagen
door
Het schooljaar is reeds een tijdje bezig in Vlaanderen. Nog steeds druipt menig kindertraan over een bolle wang en wringen zwetende handen zich in bochten om niet naar de kazerneschool om de hoek te moeten.Sœur Marie la Providence doet haar ronde in de klas. Controle van luizenkoppen. Elk kind moffelt zich weg. In schriftjes, of tussen de lijntjes van een straf verhaal. Boven op de kast, achter de stoof, tegen de muur, onder de kaart van Belgisch Kongo. Het balatum krult zijn tenen. De boekentassen steken vlug de pennenzakken onder hun leren vleugels. De inktpotjes fluiten de aftocht en de pennen krassen de mars. De zwarte matrone beent met denderende stap door de klas. De billen van de zuster draaien en rollen. Haar priemende ogen kijken elk hoofdje na, op een afstand, gelijk een buizerd die muizenissen verzamelt. Rood, dood vlees.
Tijdens de middagpauze wurmt een knaap zijn boterhammetjes met salami naar binnen. Het kind naast hem heeft gelei van peren. Een ander kauwt met droge mond een stoofappel. De refter lijkt een rouwkapel. Rij aan rij, in hun lichtblauwe schortjes van geruit katoen zitten de dutsjes mooi rechtop. Handen boven tafel. Zo krijgen ze geen verkeerde gedachten. Maar averechtse bedenksels kunt ge niet tegenhouden. Vanuit de brooddozen stijgt een melodieuze psalm op. Het geklaag van witte boterhammen, vers gesneden, die ook graag eens buiten willen spelen. De dozen klepperen met hun deksel en nodigen ten dans. Allé hop. De kinderen springen op, stellen zich recht, neus in de lucht. Het keteldeksel van de snottebellensoep geeft de maat aan. Eén, twee, allé hop. Ziet ze draaien in ’t rond. Op, over en onder de tafel, onder de tl-buizen die zacht mee neuriën. En nog een keer. Sneller en sneller tot het zot in de kinderkopjes smeuïge boter wordt. Zuster Adelbertha duwt een kar door de gang van zwierige kinderlijfjes. Haar zwart habijt draait mee. Een kauw tussen vallende blaadjes. De boterhammen, met of zonder beleg, spelen ‘één, twee, drie patat’. Met een pollepel schept de non overdadig de mokken vol bouillon.
‘Hoeveel oogballetjes wil jij in je bord, lieve jongen.’
Het knaapje schudt zijn hoofdje. ‘Nu niet, zuster. Nu niet.’
‘s Avonds stappen de kinderen één voor één door de schoolpoort. Hun knuistjes in een grote mensenhand. Het regent. Ons knaapje ziet de speelplaats veranderen in een zee. Hij stuurt zijn roeiboot de koer op. Het zeewater pletst in de sloep. Elk moment kan een orka van onder de dalstenen opduikelen en met opengesperde muil zijn been beetpakken.
Een mannenstem roept vanaf de kustlijn. ‘Kom, we gaan naar huis. Jongen, ge ziet zo bleekjes. Wat zit er nu in uw hoofd? Toch geen zotte gedachten?’
De kleine hand knijpt zachtjes de grote.
groeten
raf
p.s.: ik ben zelf een ‘schoolmeester’ in een kleine wijkschool in Gent. Ziet ge mij rondlopen met een zwarte kap over mijn hoofd zoals zuster Adelbertha? Of met rollende billen onder een habijt?
Een rots van een boek
door
Uluru, Kata Tjuta National Park, Australia, juni 2008Terwijl de zon zakt, heffen wij onze glazen champagne naar elkaar.
Iedereen is er: de Amerikaanse ongeïnteresseerde toerist, de
luidruchtige Nederlanders, de fotograferende Japanse studentes.
De wezensvreemde rode steenmassa die voor ons oprijst, verandert
langzaamaan van goudoranje naar een diep violet. In de eindeloze
vlakte doet de enorme rots onaards aan. Hiervoor komen de meeste
toeristen om ons heen, om de rode rots van kleur te zien verschieten.
Morgen komen ze bij zonsopgang nogmaals om de kleurverandering in
omgekeerde volgorde te ervaren. Daarna gaan ze weer naar huis.
Waarschijnlijk ben ik een verwend kreng, maar na de zonsondergang vind
ik de zonsopgang meer van hetzelfde. En het is ook nog eens
stervenskoud. Uluru krijgt pas echt grip op mij zodra ik om de voet
van de rots begin te lopen. Onderweg kom ik borden tegen die vragen om
niet te fotograferen en borden die ons uitleggen welke verhalen bij
die steen daar rechtsboven en bij die derde grot van links horen. Elke
steen, elke plek heeft betekenis.
In die hoge grot liet men kleine jongens urenlang zitten, koud en
bang. Zo leerden ze geduld te hebben, want geduld is de belangrijkste
eigenschap die je nodig hebt om man te kunnen worden. Aan de andere
kant van de berg leerden vrouwen over seksualiteit en kwamen zwangere
vrouwen hun kinderen baren. Als je liegt, eindig je net als de
blauwtonghagedis: zwarte roetplekken staan op de wand waar hij ooit
zijn hol had.
Het begint me te dagen: Uluru is niet zomaar een heilige rots. Uluru
is een boek! Een rots van een boek! Het is een encyclopedie van
kennis, over hoe je moet leven, en overleven, in een vijandige
woestijn.
Ik dacht altijd dat de Aboriginals hun verhalen niet aan de
Westerlingen vertelden omdat ze hen haatten en minachtten. En niet
zonder reden. De gids vertelt echter een heel ander verhaal. Elke
Aboriginal geschiedenis heeft een kinderversie en een aantal diepere
lagen. Om die diepere lagen te kunnen begrijpen, moet je voldoende
kennis en levenswijsheid bezitten. De Aboriginals vertellen hun
verhalen alleen als ze zeker weten dat diegene die ze aanhoort, ze
echt zal begrijpen. Zo houden zij hun verhalen zuiver. Want verhalen
zijn heilig.
Ik ben niet gelovig. Maar een ding heb ik wel: een hele volle
boekenkast! Dus die Aboriginals begrijp ik best: verhalen zijn heilig.
Sterren komen, sterren gaan ...
door
Thaïsa, de 13 jarige dochter van een vriendin wil doorbreken als actrice of performer in België. Het idee is ontstaan na een fantastische vertolking van de Zwarte Ridder in het eindejaarsstuk Parcival. Vandaag heeft het aanstormend talent een show in elkaar gestoken met haar klasgenoot Marie. Mijn vriendin Dorine en ik zijn als jury aangewezen en mogen plaatsnemen op de bank in de huiskamer. De meisjes verdwijnen achter de vitrage en hullen zich in geheimzinnigheid. Hun vingers trappelen over het toetsenbord van de Apple laptop. ‘ I’am miss Pink and I’am miss Blue,’ klinken twee onderkoelde stemmen. ‘ I’am the best!’ ‘No I’am the best!’ ‘Let the battle begin!’ The Final Countdown van Europe knalt uit de computer. Met geslepen nagels springen twee katachtige sugarbabes de dansvloer op. De muziek verandert nu. Ik stel me een decor voor van betonblokken, graffiti, omgevallen vuilnisbakken, met op de achtergrond een loeiende sirene. Weggedoken in hun coole capuchons duwen de meisjes elkaar uit de weg. Ze blazen en zetten hun haren op. Om de beurt troeft de één de ander af. De jury kijkt verbaasd toe hoe het duo als gestoomde paling over de vloer kronkelt. Ze prikken hun kleinemeisjesborsten in de lucht, laten hun schouders en heupen schokken en schudden hun lange haren los. Minachtend gluren ze onder hun gestylde pony vandaan. Hun lippen rappen geluidloos mee met teksten over het straatleven in the Bronx.
Dorine en ik nemen onze rol als jurylid serieus. We geven commentaar over het gebruik van de ruimte, het bewegingsrepertoire, de overtuigingskracht en de ritmegevoeligheid. Intussen schudden de meisjes met hun premature vrouwelijkheid en schurken zich door de ruimte. Angstvallig check ik de ramen van de benedenwoning op mogelijke voyeurs. Alleen de kat kijkt verveeld toe.
De show eindigt onverwacht in harmonie. Plotseling blijken miss Pink en miss Blue deel uit te maken van dezelfde regenboog. Ze belanden samen op de pianokruk en brengen live een dromerig Nederlandstalig liedje. Hun stemmen klinken als schone was.
‘Sterren komen, sterren gaan, alleen Elvis blijft bestaan,’ zingt het door de kamer.
Met deze wijze woorden loopt de show ten einde. Marie haast zich naar haar moeder, die wacht met het eten. ‘Sterren komen, sterren gaan, alleen Elvis blijft bestaan,’ klinkt het vanaf de gang. Thaïsa slaat haar leren jackie over haar schouder en maakt ook aanstalten om te vertrekken. Opeens blijft ze staan en draait zich om. ‘O, ja,’ mompelt ze tussen neus en lippen door. ‘Ik heb het gehoord van die schrijverswedstrijd. Nog gefeliciteerd.’
‘Merci,’ antwoord ik. ‘Ik was het bijna vergeten.’
‘Hmmmm,’ klinkt het. Dan is ze weg.
aan Dimitri
door
Beste mijnheer Dimitri Verhulst,Bij het schrijven van mijn stukje voor de wedstrijd van uitgeverij Contact ben ik gestart met jouw eerste zinnen. Het is pas nu dat ik u hiervoor bedank… nu dat ik bijna de hoofdvogel afschiet. Daarvoor viel ik reeds duizendmaal op mijn beide knieën uit erkentelijkheid.
In stilte.
In onze living hebben we een prieeltje ingericht ter uwer eer en glorie met een paar kaften van gelezen bibliotheekboeken, krantenknipsels en een authentieke zinsnede in koper uitgehakt, verkregen van een oud lief van u (niet dat zij oud is, maar wel de liefde).
De kaarsjes branden nu reeds van het begin van dit jaar om een goede uitslag bij deze wedstrijd te verkrijgen.
Mijn moeder zegt dat ik evengoed de Heilige Rita kan aanbidden, de patroonheilige van onbegonnen en onmogelijke zaken, wat ik dan ook doe. Ons huis hangt vol dikke damp en van de kasten en tafels druipt het kaarsvet.
Ik laat u, want ge moet zeker nog tweeduizend woorden schrijven vandaag, zoals ik ooit gelezen heb.
Al gedag zeggend
raf
ps: Ge moogt van mij ook een paar zinnen gebruiken, mocht ge goesting hebben. Ge moet geen wedstrijd proberen te winnen om het mij vriendelijk te vragen.
Pythagoras
doorSamos, het strand van Kokkari. Ontsnapt aan de grijze Hollandse zomer. Even weg uit de hectiek van het werk, even zonder de stress van een verhalenwedstrijd. Tijd om te ontspannen, tijd om te twijfelen. Pythagoras werd hier op Samos geboren. Meer dan 2500 jaar later leert nog iedere scholier zijn driehoeksstelling uit het hoofd. Erg efficiente schrijver, hij had maar drie letters nodig voor eeuwige roem. Mijn verhaal heeft er zeker 30.000, maar of het de kerst zal halen? Wat de uitkomst van deze wedstrijd ook mag zijn. Zij heeft wel iets in mij wakker geschud. Ik ben jarenlang volmaakt gelukkig geweest, zonder dat ik schaafde aan personages, verhaallijnen of stijlfiguren. Toch is schrijven waarschijnlijk mijn beste kans om iets te maken dat langer meegaat dan de modereportages van morgen. Pythagoras noemde het heelal een sieraad (kosmos) om de harmonie die zij in zich had. Ben benieuwd naar de houdbaarheidsdatum van de blingbling uit mijn hoofd.
kwakjes
door
‘Kinderlijk’ is doorgestuurd.Het verhaal staat opnieuw op tinternet. Het heeft eventjes geduurd voordat ik content was met hetgeen ik herschreef. Rechts en veel links werden mij dierbare tips gegeven.
‘Blijf met uw poten van die tekst. Hij is goed.’
‘Een stuksken vlees, is dat er niet over. Een stuk is ook goed.’
‘De jury heeft gelijk. Maak van dat beginstuk ook maar iets kreezie.’
‘Ja, maar dat begin is wel van onzen Dimitri. Van Verhulst blijft ge af, nee?’
Schrijven doe ik in kwakken. Thuis loop ik een tijdje rond de laptop, zie de vaat staan, wil de aardappelen schillen, loop met onze hond efkens buiten, zit ondertussen op het verhaal te broeden en begin ik pas als ik overloop van goesting om te schrijven. In kwakken.
In een internetcafé geeft dit moeilijkheden.
Ik zat vorige week in Avignon. Ik regisseerde de theatergroep Sabbattini op het Off-festival.
’s Avonds had ik tijd om naar een internetcafé te stappen om ‘Kinderlijk’ af te werken.
Het café werd gerund door jong, vriendelijk volk. Waarschijnlijk hadden ze het pand gekraakt en de computers van een boot laten vallen. De ene computer had geen ‘word’, de ander geen verbinding met internet of geen USB-poort. Soit. Schrijven tegen één euro per uur. Het zet je onder druk in het warme Avignon.
Bart, de echtgenoot van één van de speelsters, las op een avond het verhaal voor. Ietsjes vettiger dan het op papier stond. Met veel passie, veel gevoel voor timing, levendig met zijn Gents dialect doorspekt. Rode wijn en duizend Franse kazen kunnen wonderen verrichten. Ik genoot hoe het met zijn mond gebekt werd. Een verhaal om voor te lezen. Die opmerking van de jury was héél terecht.
De dag daarna stuurde ik het verhaal door vanuit een obscuur café.
groetjes
raf
p.s.: Op 21 juli worden de teksten gelezen. We gaan het hier in België stillekes houden. Geen toeters en bellen op de Belgische feestdag.
Verdomme, waar zijn we mee bezig?
g5
doorVoordat ik met mijn verhaal begon, heb ik eerst zo veel mogelijk gegevens proberen te destilleren uit het door mij gekozen fragment. Dat fragment introduceert al meteen een personage, een man die Nieuwenhuijs heet, chaotisch en van het type eeuwige loser. Hij is op weg naar een afspraak met een vrouw in een grand hotel. Die vrouw heeft het allemaal veel beter voor elkaar en is in een positie om Nieuwenhuijs ter verantwoording te roepen. Tot zover allemaal eenduidige informatie, maar toen volgde een intrigerende zin: “Het was een spel dat klaarblijkelijk steeds opnieuw gespeeld diende te worden.” Die passage heeft me op het idee gebracht een schaakverhaal te schrijven met als centraal thema herhaling.
Er is menig mooi schaakverhaal geschreven, maar voor mij zijn de absolute grootmeesters van het genre Vladimir Nabokov met ‘De verdediging’ en Stefan Zweig met zijn ‘Schaaknovelle’. Een moeilijkheid die zich bij het onderwerp schaken voordoet, is dat deze activiteit een mentale is en dat het daardoor niet eenvoudig is de ‘actie’, voor zover daarvan al sprake is, op een ook voor niet-schakers boeiende manier voor het voetlicht te brengen. Daarom heb ik bovengenoemde werken weer eens ter hand genomen en er vooral op gelet hoe schrijvers als Nabokov en Zweig een dergelijk probleem oplossen. Nou, één ding werd al snel duidelijk: die weten daar wel raad mee. Prachtig is het idee van Nabokov om de stukken die nog op het bord staan, voor te stellen als een soort krachtenvelden, terwijl hij de stukken die worden gesla-gen en van het bord verdwijnen, laat materialiseren tot functieloze stukjes hout. In Zweigs ‘Schaaknovelle’ vond ik ook vele fraaie passages, bijvoorbeeld deze:
“De obligate openingszetten verliepen tamelijk snel. Pas bij de zevende of achtste zet leek zich iets als een bepaald plan te ontwikkelen. Czentovic maakte zijn denkpauzes langer; daar merkten wij aan dat de strijd om de leiding zich nu begon te ontwikkelen. Maar om de waarheid geen geweld aan te doen, betekende de langzame ontwikkeling van de stelling zoals elke echte toernooipartij voor ons leken nogal een teleurstelling. Want hoe meer de stukken zich tot een wonderlijk ornament vervlochten, hoe meer de eigenlijke stand van zaken voor ons ondoordringbaar werd. Wij konden noch van de ene, noch van de andere partner waarnemen wat hij van plan was, en wie van beiden nu eigenlijk in het voordeel was. We merkten alleen, dat bepaalde stukken als hefbomen werden bewogen om het vijandelijke front open te breken, maar wij waren niet in staat - omdat bij deze superieure spelers elke beweging steeds deel uitmaakte van combinaties die een aantal zetten vooruit reikten - iets te begrijpen van de strategische bedoeling in dit geschuif over en weer.”
Tja, zo moet het dus.
Blaadjes...
doorNormaal gesproken ben ik wel het type dat het verschil blijft zien tussen het bos, de bomen en de struiken.
Maar de afgelopen weken even niet.
Het enige wat ik zag waren blaadjes, blaadjes…
Grrr.. Overal blaadjes.
De leeftijd van mijn hoofdpersoon en het bijbehorende geworstel met haar taalgebruik zaten me niet lekker.
‘Kunstmatig verouderen die hap,’ dacht ik. 'En doe dan meteen zo hier en daar een verhaallijntje erbij voor de bijpersonen, want anders bungelen die er zo losjes bij.' Ook schreef ik terloops een nieuwe einde aan het verhaal en - nu ik toch zo lekker op dreef was - gooide ik nog even de hele chronologie overhoop.
En zo verdubbelde mijn verhaal zich in aantal woorden en zat ik ineens opgescheept met een hoofdpersoon die aan een ernstige vorm van claustrofobie leed.
Ze moest een schuur in. En wilde niet.
Na wat getrek en geduw had ik haar zover.
Mooi. Prachtig…
Het was laat in de avond. Ik voelde me geweldig toen ik het rondstuurde aan mijn proeflezers.
Voldaan kroop ik in bed.
De volgende morgen bracht manlief een kop thee naar mijn schrijfhok.
‘Wij moeten even praten, denk ik,’ zei hij zacht.
Normaal gesproken volgt na zo’n uitspraak een echtscheiding.
Bij mij was het nog erger.
De nieuwe versie van mijn verhaal werd neergesabeld, niet alleen door mijn man, maar ook door de anderen die het gelezen hadden.
'Weet je…' zei iemand voorzichtig. 'Wat je had was toch al behoorlijk goed, anders had je toch nooit in die halve finale gezeten?'
Hmmm… daar zat misschien wel wat in.
De volgende dag nam ik de originele versie van mijn verhaal ter hand en concludeerde dat die inderdaad toch helemaal zo gek niet was. Vol goede moed schreef ik er een nieuw einde aan, rammelde daarna zo hier en daar wat scènes uit de herschreven variant ertussen en begon te schaven.
Schaven, eindeloos schaven…
Daar waar een goed timmerman slechts een paar kleine houtkrullen als restafval heeft, sneuvelde bij mij de ene na de andere lievelingsscène: feiten die eerst nog klopten, bleken bij nader inzien onzin en hoe vaker ik mijn tekst doorlas, des te vaker struikelde ik over de losse woorden.
Weer alleen maar losse blaadjes.
Ik brak mijn hoofd over het taalgebruik.
"Een jong meisje zal niet in volwassen zinnen denken als 'moeder zou het besterven' en 'de beslotenheid van de kamer'", stond er in het juryrapport.
Ik wist ineens niet meer of ik het daar wel mee eens was.
Eergisteren bracht mijn dochter van twee-en-een-heel-klein-beetje de oplossing.
Zij hapte in haar ballon.
Het ding knalde.
Zij jankte.
En een uurtje later keek ze me boven op haar kamertje aan. En zei:
‘Mama… Heet je hanneer ik schrokke was?
Toen beneden bajjon inpatste.’
Daar sta je dan als ouder, met je mond vol tanden…
Goed.
De uitspraak liet nog wat te wensen over. Maar een kind van amper twee dat zo’n zin naar buiten wurmt…
Och, ik zie het ook nog wel gebeuren dat ze op haar tiende het woord 'besterft' in de juiste betekenis weet te gebruiken. Dus…
Nokken met die twijfel.
Was ook geen tijd meer voor.
Laagje 'finishing touch' erover en klaar.
Mijn verhaal is inmiddels bijna vijfhonderd woorden langer geworden dan de eerste versie.
Ik kan niet anders dan hopen dat het de goede woorden blijken te zijn.
Laatste werk
door'... en ze leefden nog lang en gelukkig'. O nee, hij mocht doodgaan! OPNIEUW!!!
Nee dus. Er staat een punt achter mijn werk. Twee perspectieven, zonder flashbacks, strakker geschreven en toch ruim 1.000 woorden meer. De titel er voor de zekerheid als voetnoot bijgevoegd, je weet maar nooit.
De deadline is morgen, maar om te voorkomen dat ik me net zo ga gedragen als bij tekenles op de middelbare school ('Hij is af! Of niet? Nee, ik vind toch dat ik daar nog wat meer ruimtegevoel moet creëeren'. En flats, daar verdween het fijngeschilderde profieltje waar ik uren aan had gewerkt achter een dikke klodder inkt...), neem ik 'm ruim.
'Klik op verzenden. Verstuurd'.
Ciao,
Indra
Afschuwelijk mens
doorZondagmiddag. In afwachting van het commentaar van twee kritische lezers op de meest recente versie van mijn verhaal, nestel ik mij in de zon om het aan de drie kenners die in mijn achtertuin wonen voor te lezen. Nick “Diablo” Diaz, Wanderlei “The Axemurderer” Silva en Melvin “no Mercy” Manhoef (ik heb mijn kwartels naar beruchte kooi-vechters vervoemd om de nadruk meer op hun stoere karakter in plaats van hun koddige uiterlijk te leggen) liggen aanvankelijk nog uitgestrekt in de zon, maar kruipen gaandeweg steeds verder weg tussen de losse takken en grasstengels in hun buitenverblijf. Wanneer ik de bloedige scene na de kattenaanval beschrijf, slaakt Diaz een zuchtje, “Arme Elsje, nog zo in de kracht van haar leven.”
Wanneer het verhaal uit is blijft het even stil, dan piept Silva verontwaardigd: “Wat een afschuwelijk verhaal, waarom schijf je zoiets? Is het wraak omdat je eigenlijk liever een Dobermann had gehad, maar je tuin te klein is?” “Ach nee,” verdedigt Manhoef me, “eigenlijk is het goed dat zo’n verhaal geschreven wordt. Eindelijk een maatschappij kritische blik op de behandeling van bedreigde trekvogels. Dan moet het wel shockeren. Hoewel je die kwartelpastei wel heel achteloos noemt, kun je daar niet wat dieper op in gaan?” “Asjeblieft niet” piept Diaz vanuit haar schuilplaats. “Volgens mij wil ze alleen maar schokken voor de kijkcijfers” antwoord Silva. “Trouwens, ik kan wel merken dat wij hier pas zijn komen wonen nadat je dit verhaal geschreven hebt, drie eitjes in dat nest, belachelijk! Voor minder dan zes gaat een beetje kwartel echt niet broeden hoor! Je hebt zeker drie gekozen voor een of andere christelijke vergelijking. Maak er dan maar zeven van, dat getal schijnt ook speciaal te zijn voor mensen.” Het lichtbruine vogeltje raakt goed op dreef. “En wil je verder ook nog even goed uitleggen dat zo’n kwartelkoning géén echte kwartel is, maar een ral? Of hebben ze je dat ookal niet geleerd op die biologie studie? Schande. Misschien moet je toch maar eens met Midas Dekkers gaan praten, kun je nog wat van leren, nepbioloog.” Silva wordt me nu iets te vals. Gelukkig onderbreekt Diaz haar. “Misschien kun je je hoofdpersoon met een steen naar die kat laten gooien, zodat ie, krak, zo haar schedel open splijt. Voor Elsje...”
Alle vier zwijgen we nu. Ik krabbel wat op mijn papieren. “Ik snap niet waarom je zo’n akelig verhaal moest schrijven,” begint Silva weer, “had je niet liever ook over mannen die kinderen doodrijden kunnen schrijven? Of vind je het te moeilijk om een mens dood te laten gaan?” “Nou ja! Er gaan zeven mensen dood!” werp ik tegen. “Oh, nou, dat had ik dan even gemist. Misschien moet je dat iets duidelijker vertellen” zegt ze pesterig. Ik heb wel weer genoeg gehoord en kondig aan dat ik naar binnen ga om het avondeten klaar te maken.
“Wat schaft de pot?”
“Kip!”
“Echt een afschuwelijk mens!”
eiland in zicht!
doorZo. Ik heb er een punt achter gezet. Over een paar uur zit ik op de boot. Weg te waaien. Op weg naar het altijd zonnige Skylge. Twee weken, zonder laptop, op een eiland. Dat is pas vakantie.
Ik stuur jullie allemaal een denkbeeldig kaartje.
Ongeneeslijk onzeker
doorEen rommelige woonkamer met een oude televisie. Ik zit aan een tafel met vellen papier voor me. Mijn huisgenoot zit op de bank en leest mijn verhaal.
“Mmm…leuk”, zegt hij na het lezen van de 19e versie.
“Diepe buiging, het verhaal is vooruitgegaan”, gooit hij er bovenop.
Kijk, dat wil ik horen, die pakt niemand me meer af.
“Dank je”, antwoord ik droog, het blijft lastig omgaan met complimentjes.
Ik blijf ongeneeslijk onzeker.
“Hoe vind je dat nieuwe stukje met die bejaarde?” vraag ik.
Hij wikt even.
“Ja misschien is dat een darling.”
Ik vraag: “Die gekilled moet worden?” terwijl ik het antwoord eigenlijk zelf al weet.
Met een gele stift markeer ik de besproken zinnen.
Na het krassen is het een poosje stil.
“Eigenlijk vind ik het wel vreemd dat hij niet gewoon thuis is gebleven?”
Ik schrik op. Dat is zo ongeveer de basis van mijn verhaal.
“Heb je het over mijn hoofdpersoon?”
Hij kijkt me eerst niet begrijpend aan en wijst dan naar de tv
O, gelukkig hij bedoelt de serie.
Ik sta op en loop naar de keuken om drinken te pakken. Terwijl ik twee glazen sta af te wassen hoor ik uit de woonkamer
“Nou eigenlijk, nu je het zegt, ik begrijp het wel van die hoofdpersoon maar dat is misschien omdat je het zelf hebt verteld. Of het ook echt duidelijk wordt als je alleen het verhaal leest weet ik eigenlijk niet?”
Ik zet de volle glazen iets te hard op tafel.
Hij heeft de papieren weer voor zich en scant de regels door en probeert me duidelijk wat zekerheid aan te praten: “Nou ja misschien toch wel, er zitten in ieder geval echt hele leuke zinnen tussen. Vooral de zin waar het verhaal mee begint, die is echt geniaal, misschien wel de beste. Knappe tegenstander die dat weet te overtreffen!”
“Dank je man” antwoord ik voor de vorm en begin de rest van het verhaal met mijn marker te bekrassen.
mijn ziektekiemen en ik
doorEen parallel universum waarin mijn ziektekiemen en ik de agenda's naast elkaar leggen, zou zo'n uitkomst zijn. Ik word namelijk altijd ziek in de vakantie. En op zich denk je dan: tjee, dat is toch prima getimed. Maar dat is het dus niet. Dat is helemaal niet prima getimed! Wat moet ik met één of ander eng virus, terwijl ik met een rode pen achter mijn bureau wil? Zomervakantie is dit jaar, op dit moment, gewoon nog even geen zon, blijdschap en meeuwen. Er moet gewerkt worden, verdorie. Ik wil ook opstaan met een personage in mijn hoofd en met een kam mijn grasveld te lijf. Wat is dit voor onzin! Beterschap! Genezing!
Zo. Ik kan weer lezen zonder dat de woorden achtjes over het papier skaten. Ik kan weer aan het werk. Ein-de-lijk!
Waar is mijn rode pen? Waar is de paracetamol?
Gras
door
Ik sta voor een groot groen grasveld. Ik heb een kammetje in mijn hand. En wat ik het liefste zou willen is dat over zes dagen alle sprietjes dezelfde kant op wijzen. Van tevoren dacht ik dat ik de dialogen het moeilijkste zou vinden. En bij het centrale conflict moest ik er toch nog even diep over nadenken wat ik eigenlijk het belangrijkste vond aan mijn verhaal. Maar oom John hielp me uit de nood -ook tot zijn eigen verbazing trouwens- door zijn stem te verheffen en eerder en steeds vileiner uit de hoek te komen.Over het verhaal op zinsniveau had ik me tot nu toe weinig druk gemaakt. Sommige zinnen zijn mooi, maar sommige werken ook helemaal niet, zei de jury. Maar welke? Onder mijn zelfkritische blik lijken vele grassprieten in het grasveld van mijn verhaal scheef te staan. Ze klitten in pollen bij elkaar, zijn te lang, te kort, te dik, te dun. Of ze hebben van die irritante overbodige zijtakjes. Ik kam tot ik er scheel van zie en moet uitkijken dat ik niet rigoureus de maaimachine op stand kaal zet. Vooral maar niet de bijdragen van anderen lezen, want ander gras lijkt altijd groener...
Vrouw raakt lantaarnpaal door spinnetje
doorEen 36-jarige inwoonster uit Culemborg is dinsdagavond met haar auto tegen een lantaarnpaal gebotst. De oorzaak was een spinnetje, meldt de politie woensdag.
De vrouw reed omstreeks 22.30 uur over de rijksstraatweg vanuit het centrum in de richting van Terweijde en zag plotseling een spinnetje voor haar gezicht. Ze raakte afgeleid toen ze het diertje wilde pakken, stuurde naar rechts en botste vervolgens tegen een lantaarnpaal.
Bij verhoor vertelde de vrouw dat ze het spinnetje had willen bestuderen in de hoop inspiratie te vinden voor een nieuw einde voor het verhaal dat zij aan het schrijven was.
De auto van de Culemborgse raakte zo zwaar beschadigd dat deze moest worden weggesleept.
[Later meer]
Moment uit het leven van een halvefinalist
doorEen week werd twee weken. De aantekeningen uit Frankrijk zijn verwerkt en de laptop gaat stukken sneller, maar niet alleen de schrijfmiddelen houden zich bezig met mijn verhaal. Ik sta op met Bennie en ga slapen met Anna. Probeer me bezig te houden met 'googolplex' variaties op terugblikken en gedachten; wat is het ontzettend moeilijk om flashbacks te vermijden. Opgegroeid in een filmverslindende generatie zijn flashbacks net zo natuurlijk als een begin, midden en eind. Maar ik ben allang blij dat mijn personage niet hoeft te blijven leven aan het eind, dus ik wandel eindeloos door de tekst, de opdrachten in blokletters op mijn hand. Iedere zin wordt kritisch bekeken, ondersteboven gedraaid en afgewogen. Iets er af, iets voller juist of meteen weg ermee. Ik merk dat het geploeter me pleziert en dat alle andere dingen juist in de weg staan. 'Ik eet wel wat tussendoor'. 'Nee, deze week echt geen tijd om te sporten'. 'Is het al zo laat, ik moet morgen naar mijn werk...!' En dat allemaal aan de keukentafel, ondanks het post-Woolfiaanse tijdperk... Eenvoudig is het niet, maar wel retespannend. De schrijfkick houdt me wakker, het pompen van adrenaline door mijn aderen overstemt het tikken van de klok.
Nog een ruime week, denk aan me.
Indra
de lang niet perfecte weblog bijdrage
doorEen weblog voor de 11 halve finalisten? Perez Hilton eat your heart out! Deze 11 ambitieuze schrijvers moeten toch een geweldig weblog neer kunnen zetten? Dat dacht ik 2 weken geleden toen ik het password kreeg om stukjes op dit log te zetten. Mijn lotgenoten hebben tot nu toe prachtig werk geleverd, maar van mijn hand is nog altijd niets verschenen. Terwijl ik toch best ervaring heb met het schrijven van korte stukken. Dacht ik. Helaas bedacht ik iets te laat dat de columns die ik schreef voornamelijk over mijn studie in Australië gingen en dan voornamelijk over het Australische leven zelf, niet zozeer over mijn leven. En geloof me, Australiers zijn zo’n aparte levensvorm, daar kun je honderden columns mee voeden. Tegen de tijd dat ik inzag dat een column over je eigen schrijfbelevenissen heel wat moeilijker te schrijven is dan een kort betoog over de vraag of een australische gas-bbq nu wel of niet een echte bbq is of toch een veredeld buitenfornuis, tegen die tijd waren er al meerdere weblog bijdrages naar de digitale prullenbak verdwenen. Anecdotes over de kleuterschool, een beschrijving van de dag dat Renate Dorrestein mij opbelde, een ludieke beschrijving van mijn werkomgeving en collega’s (of liever gezegd een beschrijving van mijn ludieke werkomgeving en collega’s), alles werd bij herlezen te min bevonden. Het eerste stukje van mij op deze site moest perfect worden. Zo verstreken twee weken zonder een weblog van mij.
Maar nu ben ik het zat, de kop moet eraf! Dus zet ik mijn laptop op schoot en schrijf dit stukje. Eénmaal herlezen, wat kleine wijzigingen aanbrengen en dan verzenden. Want een weblog hoeft niet perfect te zijn. Wat wel perfect moet gaan worden is mijn verhaal en dat zal nog heel veel werk gaan kosten. Volgens de jury is het te veel van buitenaf beschreven. Misschien komt het door mijn wetenschappelijke training, of doordat ik afstand wilde scheppen tussen mijzelf en de hoofdpersoon. Ook vreesde ik tijdens het schrijven dat het verhaal te lang zou worden als ik het niet strak in de hand zou houden. Dus nu laat ik de teugels wat meer vieren. Ook vraag ik me enigszins af wat de jury bedoelde met “netjes geschreven”. Betekent dat zonder spelfouten, of is het verhaal misschien wat te braaf geworden? Vrienden die het verhaal intussen gelezen hebben, merkten op dat mijn gewoonlijke cynisch valse toon ontbreekt. Misschien ga ik het toch wat minder netjes maken. En zo ben ik mijn verhaal weer aan het herschrijven. Hoe verleidelijk de copy paste optie ook is, ik blijf ervan af. En zo ontstaat mijn verhaal opnieuw, en opnieuw en opnieuw. Misschien moet ik ook maar een Australier toevoegen.
f3
doorDe tijd vliegt, niet alleen wanneer je lol hebt, maar ook wanneer je probeert je verhaal op tijd af te ronden. Die tijd is mijn vriend en vijand tegelijk. Hij maakt dat wat ik schrijf altijd gebreken blijft vertonen en hoe langer ik kijk, hoe meer ik er zie. Aan de andere kant dwingt hij mij om er op een gegeven moment een punt achter te zetten, achter de laatste en in de meest letterlijke zin, en mijn schrijfsel over te leveren aan de goden. En zonder die dwang zou ik waarschijnlijk nooit ergens toe komen, nooit iets als voltooid beschouwen, zou ik er nooit mee ophouden en eindeloos blijven voortmodderen.
Ruim een week nog en dan moet ik de herschreven versie van mijn verhaal insturen. Mijn personages laten onverwachte kanten van hun persoonlijkheid zien, wijzen mij er fijntjes op dat ik er goed aan doe ze meer tot hun recht te laten komen. Daar breng ik dan tegenin dat er niet zo veel tijd meer is, dat ik daarmee moet woekeren, dat ik de tijd die benodigd is voor het omsmeden van de plot, niet ook kan besteden aan karakterschetsen. Op veel begrip stuit ik niet, ze zwijgen en na een poosje verdwijnen ze weer ergens in een kast. Ja, laat me maar. Ik moet nog zó veel doen en de tijd vliegt.
Kopzorgen
door
Sinds een paar dagen heb ik een vierkoppige draak in mijn hoofd. Het is een ongevaarlijk exemplaar, zo eentje die schubben heeft in de kleuren limegroen en chocoladebruin en een staart bezit waar kinderen en demente bejaarden vanaf mogen roetsjen. De draak heeft vier koppen die respectievelijk luisteren naar de namen Midas, Renate, Josje en Erna. Ondanks zijn vriendelijke voorkomen is het beest een blok aan je been. Het heeft namelijk grote kijkers op lange stelen die - zodra ik mijn vingers op het toetsenbord leg - kritisch meeloeren naar wat er op het scherm gebeurt. ‘Houd je waffel,’ moet je het dier in viervoud toeroepen. Houdt er eentje zijn klep, dan blijven er altijd nog drie exemplaren over die mijn pogingen tot herschrijven voorzien van commentaar. ‘Nou, dat hele gedoe met die vermeende psychose, wordt er niet duidelijker op, bromt Midas. Het blijft voor mij giswerk. Je weet, mens en dier reageren niet zomaar willekeurig. Er komt altijd een motivatie aan te pas. Voor mij blijft de motivatie van dit personage wat tweeslachtig. Kom op Famke, wees overtuigend. Ja, ja, roffel maar een eind weg op je toetsenbord. Vooruit met de geit!’
‘Wat doe je nu,' zucht Erna. 'Nee, nee. Nu maak je het allemaal veel te expliciet. Je moet nooooit je verhaal gaan zitten uitleggen. Nooit de lezer gaan betuttelen en benadrukken hoe de passage opgevat moet worden. Je moet hem of haar het gevoel geven dat hij/zij het wiel zelf uitvindt. Niet vertellen maar vertonen, daar gaat het om.’
‘Tsja, dit is wel aardig wat je daar doet, op zich een leuke oplossing,’ spreekt de kop van Josje. ‘Maar nu wordt het wat mij betreft weer te veel beschrijven. Hoe zit het met de dialoog? Er mag meer geluld worden. Hup geef die vent een stem. Dat houdt de boel een beetje levendig. En kill your darlings, schat. Is een tekst niet absoluut noodzakelijk, dan schrappen met die hap. Houd de vaart in je verhaal!’
Ondanks dat we de 1e juli gepasseerd zijn, steekt de kop van Renate een sigaret op. ‘Kijk, je kunt niet voor een dubbeltje op de eerste rang zitten,’ zegt ze, terwijl de rook door mijn hoofd kringelt. “Het geheim van de schrijver” bijvoorbeeld, ligt nog steeds ongeopend op je piano. Ik verstuur toch niet zo’n boek voor de kat z’n ballen! Blader het eens door. En by the way, doe iets aan die vader uit je verhaal. Een uitgesproken slechterik, die man. Hij mag wat mij betreft wat minder eenzijdig.’
-'Er zijn drie soorten aankomende schrijvers die een kans maken in de voetsporen van hun idolen te treden. De eerste sterft van het talent, de tweede is commercieel interessant en de derde heeft het uithoudingsvermogen en de onverstoorbaarheid van een Nijlpaard’- Wanneer ik door de schrijversgeheimen van Renate blader, valt mijn oog op dit fragment. Ik vraag me af wat voor soort schrijver ik zal zijn. Talent heb ik wel, maar of ik hiervan sterf, dat weet ik zo net nog niet. Zou ik dan commercieel interessant kunnen zijn? Ik ben geen dochter of zus van, ik heb geen aanstootgevend verleden, ik heb nooit het bed gedeeld met een celebrity. Nee, ik ben niet bijster commercieel, vermoed ik. Dan moet ik gaan voor het Nijlpaard, bedenk ik me. Ja, onverstoorbaar zal ik zijn. Niet te stoppen. Een stoïcijnse dikhuid, die zonodig, af en toe, een draak verslaat.
g1
doorBlij verrast met mijn nominatie, een beetje confuus nog. Maar liefst 775 inzendingen en daar wordt mijn verhaal dan uitgepikt. Een lot uit de loterij.
De andere kant van het verhaal is dat de mouwen weer moeten worden opgestroopt, want af is het nog zeker niet. De geleverde kritiek blijft niet beperkt tot puntjes op de i, maar heeft een veel ondermijnender karakter. Immers, een verhaal dat niet begrepen wordt, is geen verhaal en personages die de lezer niet weten aan te spreken, zijn nietszeggend. Er zal dus geschrapt en herschreven moeten worden, de boel moet radicaal omgewoeld en dan maar kijken of het resultaat bevredigender wil worden.
Mijn dramatis personae zijn een voor een uit de kast gekomen, letterlijk en figuurlijk. Ze willen een ander karakter, ze willen een andere rol in een ander plot en kijken me vragend aan. Misschien hebben ze gelijk. In ieder geval ga ik het gesprek met ze aan.
Doodsoorzaken nummer één en twee
doorEr is bijna een week voorbij sinds ik het juryrapport voor de eerste keer las. Heb nagedacht over twee zaken die in dat rapport stonden:
“al bijna een roman” en “het meisje hoeft niet dood.”
Twee waarheden.
Twee problemen.
Beiden vragen om een oplossing.
De tweede is het makkelijkste.
Mijn hoofdpersoon, Sigrid, hoeft inderdaad niet dood. Ze stierf ook helemaal niet aan onderkoeling door de lange wandeling in de winterkou en ook niet door het spinnengif dat zich razendsnel door haar aderen verspreidde. Nee, mijn geliefde, maar ietwat sneue Sigrid overleed door een combinatie van doodsoorzaak nummer één en twee onder romanpersonages: tijdgebrek en gemakzucht bij de schrijver.
Foei toch… Ik liet haar domweg sneuvelen omdat er een einde moest komen aan het verhaal. Maar ik zal het goed maken. In mijn herschreven versie blijft Sigrid leven. Beloofd.
Waarbij ik meteen op het eerstgenoemde en voor mij grootste probleem stuit.
Sigrid is niet zomaar een losse flard van een pagina of dertig. Nee, haar leven stond al tijdenlang keurig uitgestippeld: in een tekstverwerker, op wat losse aantekeningen en in een strak schema in mijn computer. In mijn boek gaat ze niet dood, maar ze klopt aan bij een huis en vanaf daar zou haar idiote leventje gewoon nog een pagina of negentig verder gaan. Ik wist wat ze ging beleven: wat ze at en met wie, waar ze sliep, met wie en waarom, hoe ze haar verjaardagen vierde en wat ze zou krijgen, wat ze wilde worden als ze ouder was en ook hoe ze ouder werd en met wie ze haar verdere leven ging slijten.
Sigrid had nog haar hele leven voor de boeg, met haar eigen problemen en eigen keuzes. En ik – hardvochtig schrijfster die ik ben - ga nu weer precies hetzelfde doen als eerst: ik smoor dat jonge leven in de kiem.
Dagen dacht ik er over na, maar ik zie geen andere manier. Het verhaal dat geschreven had moeten worden, komt er niet. In ieder geval niet nu. Sigrids uitgestippelde levenspad heb ik in een mapje gestopt en weggeborgen, met veel moeite en chagrijn. Want ik mis de mensen om haar heen nu al - haar tweede familie, want mijn kleine spinnenmeisje moest nog gaan kennismaken met de gestoorde broers Berre en Drepe, met de flamboyante Hekta en de gevoelige Kaspar.
Mijn meisje moest nog even lijden voordat ze zou gaan leiden.
Dat stond allemaal vast. Tot nu.
Want hoe moet het nu verder?
Ik staar uit het raam en zie niets dan leegte.
Eén ding is zeker: ik had nooit gedacht dat door deelname aan deze wedstrijd ineens zoveel levens op het spel zouden komen te staan…
Down Under
door
Ik ben er best van onder de indruk. Een klein beetje ondersteboven van het feit dat mijn verhaal in de smaak is gevallen bij de jury en dat ik de kans krijg het te herschrijven. Zomaar gekozen uit zoveel verhalen, van mensen die allemaal enorm hard gewerkt hebben aan hun verhaal en net als ik hoopten dat het geselecteerd zou worden. Ik vind het een hele eer. En behoorlijk spannend. Wat bijdraagt aan deze ondersteboven toestand, is dat op het moment dat ik Renate Dorrestein in eigen persoon aan de telefoon kreeg, ik haar ook letterlijk ondersteboven te woord moest staan. Mijn voetzolen rechtstreeks tegenover de hare, onze hoofden in tegenovergestelde richting van elkaar de hemel in wijzend. Wat een gek ding is die zwaartekracht, dacht ik, die ons nu beiden aan de aarde geplakt houdt, zij daar aan haar schrijftafel (stelde ik me zo voor) met een grote boekenkast op de achtergrond, ik hier in mijn hotelkamer in Melbourne, Australië, aan de andere kant van de wereld. Wat is Nederland ineens vreselijk ver weg.
In het dagelijks leven houd ik mij bezig met het onderzoeken van de functie van de hersenen met een scantechniek die functionele MRI genoemd wordt. Om die reden was ik in Sydney en Melbourne voor twee congressen op mijn vakgebied. Kort na de uitslag van de wedstrijd waren de congressen afgelopen en ben ik gaan reizen, samen met mijn vriend. Eerst naar Alice Springs van waaruit wij een driedaagse tour hebben gemaakt door het Rode Centrum, de woestijn die het grootste deel van Australie bedekt. Vandaag, nog lichtjes bepoederd door een laagje rood stof, vliegen we door naar Brisbane. Het bleek onmogelijk internettoegang te krijgen in de woestijn, maar hopelijk wordt dat de komende dagen makkelijker. Als er dus weinig van mij zien is op het weblog, dan zit ik ergens waar ik geen internet kan vinden of het ronduit te druk heb met rondkijken om te schrijven. Ik ben in elk geval aan de slag gegaan met mijn eigen verhaal en hoop het te kunnen verbeteren aan de hand van het juryrapport. Vooral het aanbrengen van meer dialoog is voor mij een uitdaging.
Maar zoals iedereen hier zegt: "No worries, mate!".
als motvlinder
doorDe motvlinder knikt. Ik joel. Geruisloos. (Motvlinders zijn vrij schichtig op dit soort momenten.) "Vooruit dan maar," verzucht hij, terwijl hij zijn vleugeltjes naast zich neer legt.
Wat kan ik blij worden van die uitspraak, zeg. Je zin krijgen is altijd een moment van glorie, maar na een vooruit-dan-maar kan ik wel huilen van geluk. Dat komt door de ontlading, denk ik. Een gesprek dat zo eindigt heeft namelijk steevast een heftige spanningsboog. De situatie: mijn vraag, de afwijzing, het doordrammen, wat tegenstribbelen en dan de verlossende woorden. Een brok in mijn keel, verdorie.
"Als ik ooit iets terug kan doen - je zegt het maar, hoor. O, kun je nog even.." Motvlinder schuift de vleugel waterpas. Ik scheur het plakband met mijn tanden. Plak. Zo. Nu ben ik de licht depressieve motvlinder en is hij de studente die zich ingraaft tussen studieboeken. En die de prullenmand nog moet legen. En karbonade moet halen. Viva la Vida rippen. En dan koken, pinnen en de luxaflex ophangen. O ja, en een verhaal herschrijven. "Heel tof van je!" Ik zet af tegen de vensterbank en zweef, over de galerij, de straat uit.
Vrijdag 20 juni 2008, 09:47 uur: ik, studieboeken, een tentamen aan het eind van de middag en een motvlinder in mijn vensterbank. Dat krijg je van niets doen. Dan moet je jezelf op een gegeven moment opsluiten. Met al die geschreven woorden van wijze wetenschappers. Die de jouwe moeten worden. Of zo. In veel te weinig tijd.
De fantasie is er nog, geloof ik. Nu de tijd nog. Ergens tussen het snijden van de komkommer en kunstfilosofie, zal het worden.
(O, en stiekem zou ik zelfs niet met een dagpauwoog willen ruilen. Deze halve finale is het fijnste vooruit-dan-maar-achtige moment dat ooit heb meegemaakt!)
Back to basic
doorEen verhaal afmaken dat iemand anders is begonnen is lastig.
Een verhaal afmaken dat een gerenommeerd schrijver is begonnen is heel lastig.
Een verhaal afmaken van een gerenommeerd schrijver die tevens je favoriet is, is ronduit gevaarlijk.
Het afgemaakte verhaal laten winnen is dan ook een hele kunst.
Het afgemaakte verhaal vervolgens in opdracht te herschrijven is een hele grote kunst.
Maar een winnend afgemaakt verhaal van je favoriete gerenommeerde schrijver op aanwijzingen te moeten herschrijven in de campagne van Frankrijk ZONDER LAPTOP, ELECTRICITEIT OF INTERNET is een REGELRECHTE RAMP!!!
Als kind van deze tijd kan ik niets meer lezen in mijn eigen handschrift dan een boodschappenlijstje (en zelfs dat ben ik van plan in een excel-template om te zetten zodat ik enkel nog maar duidelijk leesbare kruisjes hoeft te zetten bij de wekelijkse benodigdheden)
Derhalve ga ik noodgedwongen back to basic, direct in de lijn van hoe ik nu vertoef op mijn vakantie in de Bourgogne, en heb ik een groot kladblok gekocht om me aan de 'grote kunst' te wagen.
Daarbij heb ik mezelf maar meteen een soort speedschrijven aangeleerd in de race tegen de ondergaande zon. Hopelijk genoeg leesbaar (een cryptoloog zou er nog een aardige klus aan hebben) om over anderhalve week de creaturen uit mijn blokjesschrift 'los te laten' in het digitale geheugen van mijn DE VLUCHT.def-worddocument (want aan een van de opdrachten van de jury had ik bij inzending al aan voldaan; de titel hangt echter waarschijnlijk nog ergens in de virtuele pijplijn).
Enfin, over een klein weekje bevind ik mij weer in de bewoonde dus virtueel bereikbare wereld om mijn bloglezers te vertellen hoe het mij en mijn pennenschrift tot dusver is vergaan.
A bientot...
Indra
slechte vrienden
door
Hallo, ik ben Raf.Ik heb praktisch denkende vrienden.
‘Tof Raf, dat ge bij de 11 zijt, en dan nog de enige Belg. Maar dat wil zeggen dat er 10 schrijvers in deze wedstrijd teveel zijn. Goed is niet goed genoeg.’
De voorstellen kwamen onverwachts, ongevraagd, in de wandelgangen, tussen de soep en de patatten.
‘Laat ze coke snuiven zoals de renner Tom Boonen en ze zijn subiet gediskwalificeerd.’
‘Verzuipen, gelijk een nest jonge katten in één zak.’
‘Maak indruk door te beloven dat ge voor één staat zijt van Nederlanders én Vlamingen. Ze zullen rap hun staart intrekken.’
‘Stop die andere schrijvers in een héél klein keldertje.’
Verbaasd, met mijn mond open en de zwetende handen in de broekzak, luisterde ik naar hun creatieve handigheid. Een beetje bewonderend, een beetje beschaamd.
‘Promoot de opwarming van de aarde. Zij gaan er als eerste aan met hun oelewapperdijkjes’
‘We laten onze overvolle gevangenissen bij hen leeglopen.’
‘De tien plagen van Egypte, dat moet lukken. Ze zijn daar protestants genoeg.’
'Doortrekken.'
Benny, de antropoloog, bekeek het anders. ‘Maak u niet druk. Ze kijken toch verdwaasd naar hun groene televisiescherm met een trommelhoedje op of een schreeuwtrui aan.’
Zouden mijn vrienden dit écht menen? Zet mijn noeste buur ’s nachts jullie sluizen open? Worden vrouw en kinderen nodeloos misbruikt? Een burgeroorlogje op deze aardkloot meer of minder voor Vaderlands Glorie of voor het schrijversdom moet kunnen? Of is de pen toch het machtigste wapen?
Ademhalen Raf. Gewoon rustig ademhalen, denk ik. Ga straks slapen en probeer morgen te schrijven. Verbeter je tekst. Meer hoef je niet te doen.
Je moet niet alles geloven wat vrienden zeggen, hoop ik stilletjes (voor jullie).
Flard van Frank
doorOp maandagochtend kreeg ik te horen dat ik in de halve-finale zat. Dinsdagavond, ingeklemd zittend op een bank, met een stem vol stiekeme trots, deelde ik het mee aan anderen.
"Ssst" kreeg ik te horen, "voetbal!"
Een vriendin ging achter me staan, ze zette een trom-pet op mijn hoofd en sloeg erop.
Trom! Trom!
Ze sloeg zo hard, dat niemand hoorde wat ze mij toefluisterde:
"Gefeliciteerd."
Trom! Trom!
"Ik heb er van genoten."
Trom! Trom!
Nederland scoorde het eerste doelpunt tegen Roemenië en wij kregen bier over ons heen.
Trom! Trom! Trom! Trom!
Het was inderdaad een mooi doelpunt.
Na de wedstrijd hoorde ik één van de spelers herhalen dat ze, ondanks de winst, vooral scherp moesten blijven. Een paar vrienden keken daarop naar mij en lachten. Ik voelde een tik op mijn hoofd.
Trom!
Zo is het ook.
Een noot van Femke
door
Leuk, fijn, spannend! Ik zit dan toch maar bij die 11 genomineerde inktridders. Nu, twee dagen na de euforie, worstel ik mij door de gebruiksaanwijzing van een weblog. Vrienden van mij hadden een weblog met het oog op hun huwelijk. Een tintelende en kleurrijke compositie van foto’s, informatie, links en persoonlijke anekdotes. En maar liefst in drie verschillende talen. Ik dacht toen nog, wat een werk lijkt me dat. Leuk voor de genodigden, maar voor de schrijvers, een blog aan je been.En nu heb ik een eigen weblog toegewezen gekregen van de meneer van de Pixelindustries. Wat kan ik nu op zo’n site vermelden? Een beschrijving van de dingen die ik vanochtend gegeten heb? Diepzinnige beschouwingen over het schrijverschap? Snippers van mijn eigen creatieve geklungel en geschaaf?
Eerst maar eens boodschappen doen, de planten water geven en dat soort dingen.
Tijdens de lunch, vertel ik Stella (mijn vriendin) over het telefoongesprek met mijn moeder. Mijn moeder is een zeer uitgesproken vrouw, met uitgesproken ideeën. Zo ook over mijn inzending. Stella luistert, lacht met een mond vol hagelslag en zegt: ‘Dit kun je nu op zo’n weblog schrijven!’
Vooruit dan maar.
Telefoongesprek met moeder, dinsdagavond 19.10 uur, 17 juni 2008
Femke, ben jij het? Met mama spreek je.
Há mam, hoe is het met je been?
Ja, die wordt langzaam zwart, een hele grote bloeduitstorting die zich langzaam uitbreidt.
Gadver.
Nou moet je je niet zo aanstellen, Fem. Dat hoort er nu eenmaal bij, na zo’n spataderlasering.
Ik heb je verhaal gelezen.
En wat vond je ervan?
Ik vond een aantal dingen heel mooi beschreven. Van die moeder en die zuchtjes uit haar mond en hoe die man bij dat graf staat met zijn begeleider. En dat hij de begraafplaats afloopt en dan beseft dat de wereld maar doorgaat. Al die mensen die hun eigen weg gaan, naar hun eigen bestemming. Ja, dat vond ik mooi. En dat met die krabhand was trouwens ook leuk verzonnen.
Maar die drie kinderen, Femke?! Dat vond ik bizar. Ja, buitenissig vond ik het. Eerst wordt zo’n man gek van de jeuk en dan rijdt hij drie kinderen dood. Daar zit ik dan mee. Drie kinderen! Afschuwelijk vind ik het. Wat zullen de mensen wel niet van je denken! Het valt me op dat alles steeds buitenissiger wordt. Als het maar extreem is, dan is het goed. En hard. Dan is het ook goed. Net zoals die vreemde jongen. Je weet wel die in New York woont, met zo’n oude vriendin.’
Arnon Grunberg, mam?
Ja, Grunberg. Die schrijft ook altijd zo buitenissig.
En dan dat stukje van dat kind dat aan de auto kleeft. Dat vond ik zo vreselijk. Afschuwelijk vond ik het.
Maar goed Fem, dat is dan jouw keuze. Voor de rest vond ik het mooi, ja de rest was mooi beschreven. Heb je de bos bloemen ontvangen?
Ja, mam, een hele mooie bos. Hartstikke bedankt. Heel lief van jullie.
Ja, we zijn zo trots op je. Je vader heeft het aan iedereen gemaild.
Mam, ik moet ophangen, want ik ga bij Hinderieke voetbal kijken.
Ja, dat is goed. Maar haal in godsnaam dat stukje vlees van die motorkap. Zul je me dat beloven?
Ik zal kijken mam. Doe je de groeten aan papa?
Ja, dat doe ik. Dag Fem, daaag.
Dag mam.
Intro Helma
door“Hallo. Ik ben Helma en ik ben 1 van de Contact-11.”
Hmm, zo klinkt het alsof ik een twijfelachtige vliegramp heb overleefd. Komt nog bij dat ik vroeger heb geleerd dat elf het getal der gekken is. Tja, wat maakt mij dat dan nu? Voor het gemak ga ik er maar van uit dat de jury niets bedoeld heeft met hun keuze voor dit aantal halve finalisten.
Hoewel… het voelt wel gek - om een blog bij te houden - bedoel ik. Met schrijven heb ik geen moeite; een kort verhaal, een hoofdstuk van een roman, allemaal best. Op papier kan ik mensen elkaar laten uitmoorden of elkaar, met dertig jaar leeftijdsverschil, juist leren liefhebben. Papier is zo heerlijk geduldig.
En vooral: zo heerlijk anoniem.
Ik heb altijd gedacht een eerste verhaal of roman fijn onder pseudoniem uit te brengen. Want voor je het weet leest je moeder het, of de buurvrouw of de bakker of de slijter en dan denkt iedereen zich te herkennen in de door jou gemaakte beschrijvingen.
Die lang gekoesterde anonimiteit ligt nu aan diggelen.
“Pseudoniemen worden niet geaccepteerd”, stond er in de kleine lettertjes van de wedstrijd.
En het werd nog erger: of ik nog even een foto wilde regelen voor op de website.
Leuk hoor. Daar sta je dan. Open en bloot.
“Ja, dag slijter. Ja, twee flesjes rood graag en nee, u bent niet de slijter uit mijn verhaal.”
En nu ik toch al bezig ben met het semi-aanbieden van verontschuldigingen, laat ik dan ook meteen andere mogelijke twijfels wegnemen: alles in mijn verhaal is tot op het bot non-autobiografisch en mijn moeder is – in tegenstelling tot de gestoorde moeder van mijn hoofdpersoon - een hartstikke lieve vrouw. Waag het als lezer daarom ook niet om ook maar iets slechts over haar te denken!
Een weblog voor de halve finalisten!
doorOp deze weblog kunnen de halve finalisten komende weken hun persoonlijke ervaringen met hun deelname beschrijven.
